Duo Scatenato – programma Nieuwjaarsconcert 06.01.24

Han Schokker piano en Barbera-Vinke-Deinum cello

Etude opus 10 nr. 6
De Etude Op. 10, nr. 6, in E♭ mineur, is een studie voor solo piano, gecomponeerd in 1830. En werd voor het eerst gepubliceerd in 1833 in Frankrijk als het zesde stuk van zijn Études, Op. 10. Het tempo Andante con molto espressione duidt op een meer gematigde speelsnelheid dan de andere etudes van Chopin. En De richt zich op de expressiviteit van de melodie en op het polyfone karakter.
Alexander Glazunov maakte een bewerking van deze etude voor cello en piano.

Etude opus 25 nr. 7
De Etude Op. 25, nr. 7 in cis mineur is een studie voor solo piano, gecomponeerd in 1834. Deze etude, die duidelijk verschilt van Chopins algemene praktijk van technische virtuositeit, concentreert zich in plaats daarvan op perfecte klank en frasering, vooral voor de linkerhand. De etude staat ook wel bekend als de “Cello” vanwege de prominente melodie die met de linkerhand wordt gespeeld. 
Het stuk volgt een Lento-tempo. Met uitzondering van de maten 26, 27 en 52, die een snelle passage voor de linkerhand bevatten, is de etude zeer eenvoudig en elementair qua ritme, maar niet qua harmonie. Het thema wordt in het stuk vier keer herhaald, in afwisseling met variaties van andere melodieën en cadensen.
Ook deze etude werd bewerkt voor cello en piano door Alexander Glazunov.

Cellosonate opus 65
Allegro con fuoco | Scherzo: Allegro con brio | Largo | Finale: Allegro
De grote Cellosonate van Chopin, geschreven voor en met medewerking van de gevierde Franse cellist Auguste Franchomme, is een van zijn laatste voltooide stukken, in première gebracht door deze twee mannen op 16 februari 1848 tijdens Chopins laatste publieke optreden. We vinden hierin geen enkel teken van een zieke componist, afgezien van een paar onbewerkte tekstuele afwijkingen. We vinden wel een componist die op zijn gemak is met de eisen van de sonatevorm. Hij was natuurlijk het meest zelfverzekerd bij het componeren in kortere vormen (Mazurka’s, Preludes, Walsen) of in vrije stijl (Ballades), hij genoot minder van de discipline die nodig is voor lange bewegingen.
Wat Chopin zo briljant doet is ons die melodieën geven en die toch weet te ontwikkelen in via contrapuntische werkwijzen. Het middendeel van het eerste deel is een goed voorbeeld; hij neemt de eerste melodie en ontwikkelt deze zo verbeeldingsvol dat, wanneer hij uiteindelijk bij de reprise aankomt, hij de eerste melodie geheel kan omzeilen en alleen de mooie tweede melodie overhoudt. 
De andere drie delen, die in totaal minder tijd vullen dan dit enorme eerste deel, presenteren een typisch robuust scherzo met een onnavolgbaar cello-deel en een ingekorte reprise; een conversationeel en breed opgezet maar kort Largo – geen ‘Adagio’ (want dit is dieper en intenser) en een Tarantella-finale waar hij opnieuw uitbundige melodieën in een ingewikkeld web weeft om een dans te creëren ter ere van de rondo-vorm, waardoor een passend sterk slot ontstaat van een fijn uitgebalanceerde hele sonate.

Prelude opus 28 nr. 15
De Prelude Op. 28, nr. 15, van Frédéric Chopin, bekend als de “Raindrop”-prelude, is een van de 24 Chopin-preludes. Het is een beroemdste werk van Chopin. Meestal duurt het tussen de vijf en zeven minuten en is de langste van de preludes. De prelude staat bekend om zijn herhalende A♭, die door het hele stuk verschijnt en voor veel luisteraars als regendruppels klinkt. Deze etude werd bewerkt voor cello en piano door Arthur Franchomme.

Introduction en Polonaise Brilliante
De Polonaise Brillante, op. 3 van Frédéric Chopin is een van de weinige stukken die hij ooit schreef voor een ander instrument dan piano. De jonge Chopin schreef het voor cello en piano in 1829, toen hij pas 19 jaar oud was. De omstandigheden waaronder het stuk tot stand kwam zijn charmant en jeugdig onschuldig. In de herfst van 1829 was Chopin voor het eerst in zijn leven halsoverkop verliefd geworden op een jonge vrouw in Warschau. Helaas voor Chopin bleef de liefde onbeantwoord. Chopins vader, in de hoop diens liefdesverdriet te verzachten (en ongetwijfeld ook op zoek naar een mecenaat), nam zijn zoon mee op een reis van naar het landgoed van Prins Radziwill, die twee prachtige jonge dochters had. Tenminste één van de dochters, Wanda, was pianiste. Hij componeerde de Polonaise Brillante voor haar om te oefenen met haar cellospelende vader. Chopin schreef later aan een vriend dat het stuk slechts een salonstuk was om terloops van te genieten en dat hij het zo had geschreven om de mooie vingers van de jonge Wanda te laten zien. Inderdaad, het stuk zit vol met pianoflows om de vingers van de pianist te laten zien.
Hij moet er op zijn minst toch enige waardering voor hebben gehad, want hij nam het mee tijdens een concerttournee in 1830 en droeg het op aan Joseph Merk, een uitstekende en beroemde cellist. Chopin voegde later ook een introductie toe aan de Polonaise, waardoor het stuk Introduction en Polonaise Brillante werd. Zijn vriend, de grote cellist August Joseph Franchomme, hielp Chopin met de nodige herzieningen voor de publicatie in 1833. Het stuk zoals we het nu kennen is zeer onderhoudend, een plezier voor zowel artiesten als publiek. De inleiding duurt slechts een paar minuten en zit vol pianoflows en een prachtige, zij het wat naïef klinkende cellomelodie. De Polonaise danst met energie en bravoure. De pianopartij dient als solopartij en als begeleidende partner van de cello. De cellopartij speelt niet een prominente solo rol, maar is eerder obligaat van aard, zwevend boven de virtuoze pianopassages. De hoofdmelodie is feestelijk en jeugdig. De cello introduceert enthousiast de meeste melodische lijnen en wordt soms zelf behoorlijk virtuoos. Er zijn momenten van lyrische gratie en elegantie die de bravoure evenaren en de muziek bouwt tot het einde spanning op.