Cappella Amsterdam programmatoelichting

Lustrumconcert Cultuurvrienden

Motetten zijn meerstemmige vocale composities op religieuze, niet-liturgische teksten, wat in de praktijk van Bach en zijn voorgangers neerkomt op koraal- en bijbelteksten. Motetten zijn, in tegenstelling tot cantates geschreven voor één of meer koren a capella, d.w.z. er zijn geen instrumentale maar uitsluitend vocale partijen; een koor kan ad libitum, naar keuze van de uitvoerders, worden ondersteund door een continuogroep (cello, orgel, violone, etc) die de basnoten volgt en van de passende harmonieën voorziet. Eventueel kunnen instrumenten de afzonderlijke stemmen versterken, zoals gebeurde bij de uitvoering van Bachs dubbelkorige motet Der Geist hilft unser Schwachheit auf (BWV 226), waar strijkers de stemmen van het eerste en blazers die van het tweede koor versterkten.

Als Bach aan het werk gaat is het genre Motet lang over zijn hoogtepunt (Palestrina, Orlando di Lasso, 1550) heen; in de barok treden, ook in de protestantse kerkmuziek, solozang, liedvormen (koralen), homofonie en instrumentale bijdragen naar voren. Cantates zijn de liturgische hoofdmuziek geworden, met motetten verdrongen naar een bijrol in het voorprogramma, gezongen uit voortdurend herdrukte vroeg-zeventiende-eeuwse bundels. Maar motetten werden nog wel geschreven als gelegenheidscomposities voor begrafenissen, herdenkingen en trouwerijen, in opdracht van welgestelden met bescheiden budget en als bijverdienste voor de cantor. In die rol componeerde Bach waarschijnlijk veel meer dan de acht motetten die we nu nog van hem kennen en waarvan u er vanavond vijf hoort. Maar daarmee gaf hij de achterhaalde motettraditie wel een nieuwe impuls, als het ware in blessuretijd, die er voor zorgde dat ook Mendelssohn en Brahms nog motetten componeerden. Motetten waren ook Bachs enige composities die zich (in tegenstelling tot bijv. de cantates) in de loop van de 18e eeuw permanent op het repertoire van de Leipziger Thomaner handhaafden; zoals bekend werd Mozart bij zijn bezoek aan Leipzig in 1789 zeer geïmponeerd door een uitvoering van Singet dem Herrn en diepgaand beïnvloed toen hij zich de partijen liet aanreiken. Al in 1802 werden Bachs motetten gedrukt.

Tekst © Eduard van Hengel

Toelichting bij het motet ‘Der Geist hilft unser Schwachheit auf’ (BWV 226)

Het dubbelkorige motet Der Geist hilft unser Schwachheit auf (BWV 226) is Bachs enige motet waarvan we precies weten waarvoor het werd geschreven: de herdenking van de op 16 oktober 1729 overleden professor J. H. Ernesti, die gedurende 45 jaar rector van de Thomasschule was geweest, alom geliefd, de muziek zeer toegedaan. Het einde van een tijdperk. Omdat de plechtigheden plaats vonden in de St Paulikirche die als universitaire aula fungeerde was het (anders dan in de Thomaskirche) geoorloofd dat er instrumenten meespeelden.
Waarschijnlijk bepaalde Ernesti zelf dat het motet niet is gebaseerd op een treur- of rouwtekst maar op een troostvolle en bemoedigende zin uit de brief van de apostel Paulus aan de christelijke gemeente te Rome, Romeinen 8: 26-27: de heilige geest helpt de gelovige die tekortschiet (Schwachheit) in hoop en verwachting van wat God heeft beloofd.
De Paulustekst krijgt muzikale vorm in drie delen.
De eerste regel, Der Geist hilft, klinkt op, voor een rouwplechtigheid verrassend vitale en levendige muziek, het dansante 3/8-ritme van een passepied; de twee vierstemmige koren spelen elkaar de bal toe (antifonaal). De tussenzin denn wir wissen nicht is al wat minder uitbundig.
Het tweede halfvers sondern der Geist klinkt op een veel ingetogener thema dat elke twee maten door een volgende stem wordt overgenomen; gaandeweg paren zich de stemmen zodat het slot feitelijk vierstemmig is en zo de weg baant voor een echte, strenge (stile antico) fuga op de woorden van vers 27. Het motet eindigt, vergelijkbaar met Komm, Jesu, komm, met een eenvoudig vierstemmig Lutherkoraal.

Toelichting bij het motet ‘Komm, Jesu, komm’ (BWV 229)

Bachs motet Komm, Jesu, komm (BWV 229) is geschreven voor twee gelijkwaardige vierstemmige koren en gebaseerd op het eerste en laatste couplet van een ‘Sterbelied’ dat Paul Thymich, dichter en docent aan de Thomasschule, in 1684 schreef bij het overlijden van een rector van de school; alle elf coupletten van het lied eindigen met de verwijzing naar Jezus’ spreuk (Johannes 14:6) “Ik ben de weg, de waarheid en het leven”. De tekst behandelt het afscheid van het aardse en verlangen naar het eeuwig hemels leven.
De zesregelige coupletten hebben de structuur van een koraal (A-A-B, rijmschema ababcc) maar het lied staat niet in één van de bekende liederenboeken en er is ook geen melodie van bekend. Als Bach voor het tweede couplet de twee koren samenvoegt voor een eenvoudige vierstemmige zetting bedenkt hij een melodie die veel te moeilijk is voor gemeentezang.
Het eerste couplet echter schrijft Bach voor dubbelkoor en hij werkt, conform het renaissancistische motetprocédé, elk van de zes regels uit met eigen thema’s die regelmatig de tekst illustreren:
– (r.1) een dalend motief en een slepend ritme op müde;
– (r.2) een stevig motief (Kraft) maar een stamelend slot (verschwindt)
– (r.3) Friede rijmt ook muzikaal op müde
– (r.4) der saure (moeizame) Weg voert in acht stappen van tweede bas naar eerste sopraan, over een moeilijk te treffen interval dat ook werkelijk onaangenaam (sauer) behoort te klinken.
– (r.5) een achtstemmig fugato, de stemmen volgen elkaar (Komm, komm!)
– (r.6) verloopt grotendeels in beurtzang; de laatste elf maten gaan weer achtstemmig en worden herhaald, zònder rolwisseling tussen beide koren.

Toelichting bij het motet ‘Jesu, meine Freude’ (BWV 227)

Jesu, meine Freude (BWV 227) is Bachs meest uitgebreide motet, maar liefst elf delen omvattend en geschreven voor drie tot vijf stemmen. Eenheid tussen de elf delen stichten de oneven genummerde delen die alle zijn gebaseerd op het bekende koraal/kerklied Jesu, meine Freude. In het eerste en laatste deel klinkt het koraal onopgesmukt in een eenvoudige vierstemmige harmonisering (zoals de slotkoralen van cantates), de andere oneven delen zijn koraalbewerkingen waarin de koraalmelodie soms eenvoudig valt te herkennen (delen 3, 7 en 9), soms alleen met enige moeite (deel 5).
De vijf tussenliggende, even genummerde delen zijn gebaseerd op teksten uit de Romeinenbrief van de apostel Paulus die een dogmatisch onsterfelijkheidsbewijs leveren.
De elf delen zijn symmetrisch gegroepeerd rond de centrale vijfstemmige fuga (nr.6) op de fundamentele Paulustekst Ihr aber seid nicht fleischlich, sondern geistlich.
Beide tekstsferen behandelen dus de spanning tussen het vergankelijke en het onvergankelijke, lichaam en geest. Maar terwijl de poëzietekst van het koraal dat doet vanuit de gevoelens van de gelovige die de liefde voor Jezus verkiest boven de aanvechtingen van het aardse bestaan, benadert de Paulustekst deze antithesen vanuit een leerstellige optiek.

Toelichting bij het motet ‘Singet dem Herrn ein neues Lied’ (BWV 225)

Hoewel we ook van het motet Singet dem Herrn ein neues Lied (BWV 225) de bestemming niet kennen maakt het uitbundige karakter wel duidelijk dat dit geen rouwplechtigheid is geweest. Het is Bachs beroemdste en technisch meest eisende motet, een vocale compositie met orkestrale allure, een driedelige ‘koorsymphonie’, die Mozart ooit verblufte.
Het stuk heeft een concertstructuur: snel / langzaam / snel.
De snelle hoekdelen behandelen twee psalmteksten, resp. Psalm 149, verzen 1-3 en Psalm 150, de verzen 2 en 6; in het meer bezonken middendeel combineert Bach een door zijn librettist Picander gedichte lyrische ariatekst (koor I) met een statig koraal (koor II).
De beide psalmcomplexen zijn gebouwd als een preludium-con-fuga: een in ‘verticale’ akkoorden verlopend eerste vers in moderne barokstijl dat wordt opgediend in de voor dubbelkorigheid karakteristieke wisselzang, gevolgd door een tweede vers in de lange ‘horizontale’ lijnen van de oude stijl.
Omdat de strenge fuga-regels een achtstemmige fuga in stricte zin onmogelijk maken schrijft Bach een zeer lang thema op de woorden Die Kinder Zion …. im Reihen dat in een buitengewoon complexe structuur toch achtereenvolgens in alle acht stemmen klinkt, tegen een decor van voortdurende Singet!-uitroepen.
De fuga van de tweede psalm, het slot van het motet, kan veel strenger zijn omdat Bach beide koren tot een vierstemmig ensemble samenvoegt.

Toelichting bij de instrumentale werken

De Zes suites voor onbegeleide cello, BWV 1007 t/m 1012, zijn instrumentale muziekstukken van de hand van Johann Sebastian Bach. Zij worden gerekend tot de grootste werken ooit geschreven voor de cello. Een suite bestaat uit 6 delen. Uit de suites BWV 1007 en BWV 1008 worden enkele delen gespeeld tijdens dit requiemconcert.
De suites waren voor 1900 nog niet erg bekend en ze werden tot die tijd nog voor etudes aangezien. Er zijn zelfs pogingen gedaan om er een pianobegeleiding bij te schrijven, onder meer door Robert Schumann. Mendelssohn bracht de muziek van Bach weer onder de aandacht, maar Bach bleef toch nog vrij onbekend. De cellist Pablo Casals wordt gezien als degene die de suites echt bekend heeft gemaakt. Casals vond in het jaar 1890 een editie van Grützmacher in een tweedehands muziekwinkeltje in Barcelona. Casals begon met het studeren en opvoeren van de werken. Het duurde nog 35 jaar voordat Casals de stukken opnam, waarna de bekendheid van de stukken tot ongekende hoogten steeg.
De allemande is een dansvorm die veelal als onderdeel van suites voorkomt, onder andere in de Franse suite. De allemande die afkomstig is uit Duitsland (Allemagne is het Franse woord voor Duitsland) was omstreeks 1600 als dans in Duitsland uitgestorven, en kwam slechts nog als eenvoudige volksdans voor. De dans werd echter daarna weer via Frankrijk (als ‘allemagne’) en Engeland teruggeïmporteerd in Duitsland en kwam in de latere barok omstreeks 1680 weer tot bloei als gestileerde dans.
De sarabande is een oude Mexicaanse dans die veelal voorkomt in barokke suites. De dans heeft een langzaam tempo. Een algemeen misverstand is dat de sarabande uit Spanje  afkomstig is. De sarabande is een koloniaal product. De dans is meegenomen door Spaanse kolonisten vanuit Mexico. Omstreeks 1600 kwam de dans vanuit Spanje naar Frankrijk, alwaar de dans van lieverlede een plechtig en statig karakter kreeg.
Een prelude (of preludium, voorspel) is een instrumentale compositie, zonder een vastliggende vorm. Oorspronkelijk was het een soort improvisatie, die vlak voor het echte werk werd gespeeld, enerzijds als opwarmer voor de speler of om zijn virtuositeit te tonen, anderzijds om het instrument te stemmen (vooral bij het bespelen van de luit). Vanaf de 17e eeuw werd de prelude een officieel muziekstuk.

De naam ‘partita’ werd vaak gebruikt voor een muziekstuk opgebouwd uit verschillende delen, in feite als synoniem voor een suite. Ook werd er wel de vorm van een muziekstuk mee aangeduid. De Partita in a-mineur voor fluitsolo van Johann Sebastian Bach (BWV 1013) is een partita in 4 delen waarvan het eerste deel ‘Allemande’ wordt gespeeld.